En waarom zie ik het publiek zo lauw reageren, enige uitzonderingen daargelaten? Is er te weinig dat verrast? Of wordt men getracteerd op nieuwe helden, waarmee het Noorderslag-publiek zich eigenlijk niet kan identificeren? Zou het kunnen dat de Nederlandse rockunderground – opnieuw: enige uitzonderingen daargelaten – een magere lichting beleeft, terwijl de nieuwe helden (de hiphoppers, de ‘urban’-sterren, de ‘knuffelallochtonen’ toch echt op een andere golflengte zitten dan de Noorderslag-gangers verwachten/verlangen?
Als je ALAIN CLARK (& band!) met zijn zoetgevooisde Nederlandstalige soul-rock (zeer gelikt, maar ook stijlvol) ziet worstelen met een wat onverschillige kille zaal, dan ga je dat laatste haast denken. Alain kan kletsen tussen de nummers wat hij wil, over (on)trouw en lekker zoenen en wat dies meer zij, zijn aanpak is voor het Noorderslag-publiek toch iets te tienerachtig.
GEM richt zich vervolgens op de begin twintigers, met ruige Nederbritpop en puntige gitaarliedjes met pit. In een land met een beetje echte popcultuur zou zanger Maurits al lang een upcoming ster geweest zijn, maar ook hier – hoe goed de band ook speelt - veel de kat uit de boom turende nieuwsgierigen, maar geen volk dat zich gedwongen geeft en uit de bol gaat.
Dan komen LANGE FRANS & BAAS B (ft D-MEN) toch beter ‘aan’. Ze laten hun bonkige post-O.P.- hitparade-hiphop begeleiden door een uitstekende band (die ook stevig met reggae, r&b en funk uit de voeten kan) en bewijzen dat ze zometeen op de festivals (Bevrijdingspop lijkt me een uitstekende plek) de Nederlandse stads- en polderjeugd (en zeker de Moppies) uit hun hand kunnen laten eten.
In de Grolsch Foyer komen we een voor deze regionen nog ongebruikelijk gezelschap tegen: een in witte gewaden en groen-rode voetbalshirts gehuld Marokkaanse feestband. KASBA heten ze en hun slangenbezwerende volks-raï – veel getrommel, synthesizerklanken en schrille scheidsrechterfluitjes - klinkt vrolijk, opzwepend en sympathiek.
Voor zowel Kasba als Lange Frans & Baas B geldt dat het publiek ze wel geinig vindt. Men bekijkt hen vooral met instemmende nieuwsgierigheid. Maar als even later ALI B. (foto) de Pop Prijs in ontvangst mag nemen, is het geboe en gesmijt met bier niet van de lucht. De weerstand tegen Ali B. als winnaar is aanvankelijk zeer groot. Het knappe van Ali B is dat hij die weerstand bijna meteen weet om te zetten in een (terechte) triomf. Hier in de grote zaal ‘wint’ hij de Pop Prijs pas echt, door een argwanende massa op precies de goede wijze te bespelen. ‘Gooi maar, ik koop wel een nieuwe broek’, zegt hij tegen de biergooiers. En vervolgens komt hij met zijn ‘leven van de straat’-hiphop en zijn trots (op familie, bandleden en zichzelf: ‘jullie knuffelallochtoon’). Hij stelt zijn band voor, allemaal allochtonen en een blanke bassist (‘jullie denken, eindelijk een Nederlander, maar hij komt uit... Friesland’). Ali plukt een blank hiphoppertje uit de zaal en laat hem meerappen (‘Hoe heet je? Olaf?’) en probeert het publiek zo ver te krijgen dat ze de tekst van ‘Marokko Borsato’ in Wat Zou Je Doen? uit volle borst mee zingen. (‘Laat je gaan, stoere sukkels!’). Zo gek krijgt hij het publiek niet, maar voor de rest is Ali B. top.
Vervolgens verbleekt elke act bij het entertainende vakmanschap van Ali B. Bij WENDE SNIJDERS kan je niet meer binnen, omdat de deuren gesloten zijn vanwege de grote toeloop. AUTUMN oogt vanavond niet ontspannen en statig genoeg om hun gothic echt dreigend en imposant te maken. THE SHEER speelt een knappe enthousiaste set in de Grote Zaal (die gaan we ook terug zien op de festivals, lijkt me zo). MALKOVICH verzorgt een stevige bak herrie in de Kelder.
BLUES BROTHER CASTRO attaqueert de moeilijke Foyer met opvallende bezieling en is echt veel meer dan het gezelschap Pixies-clonen waarvoor sommigen hen verslijten. Maar toch slaat hun optreden gaandeweg dood. Ik zie het publiek – hoezeer men ook snakt naar d |